Ze wist dat ze alles bij het ouwe moest laten. De Engel had haar dat opgedragen. Niemand mocht argwaan krijgen want anders kwam de Engel niet en ze wilde dat de Engel kwam. Ze had behoefte aan zijn aanwezigheid. Zijn aanraking. Verlegen keek ze naar de grond. Zich bewust van haar eigen gedachten en wat ze impliceerden. Ze hoopte maar dat de Engel haar gedachten kon lezen. Zag wat ze wilde. Ze lachte en draaide zich drie maal in de rondte. Ze droomde hoe het zou zijn. Zij met haar Engel. Alleen, op haar kamer. Zoenen terwijl zijn vleugels dansten in de wind. Hoe hij haar aan zou kijken en eeuwige trouw zou beloven. Hoe hij met zijn vingers langs haar kaak zou rennen en hoe zij zou trillen en hopen op meer. Hoe ze daarna het strand af zouden rennen en iedereen zou naar hen kijken want niet iedereen had een relatie met een Engel.
