Alone

De Orc koning zat op zijn troon en dacht na. Over zijn jeugd. Zelfs Orc koningen zijn jong geweest en de Orc koning had veel om over na te denken. Hij noemde zijn jeugd vaak de dwaze dagen omdat hij toen nog niet de wijsheid bevat die hij nu door ervaring had opgebouwd. En met die wijsheid kwam twijfel. Iedere keer weer dacht de Orc koning terug aan die beslissing die hij toen genomen had. In de tijd dat hij nog steeds op oorlogspad ging. In de tijd dat hij vooraan reed. Het leger achter hem aan met hun trotse oorlogsbanieren. Met hun trompetten en hoorns die de komst van het leger aankondigde. Hij kon de angst die het leger zaaide in de harten van de vijanden en hij leidde een dergelijk leger. Het was een tijd om met heimwee op terug te kijken als die ene gebeurtenis maar niet plaatsgevonden had. Hij was toen net vader geworden. Ergens op deze wereld had een vrouw zijn kind gebaard. Zo lang geleden. De Orc koning wist nog dat hij naar zijn kind had willen gaan, maar ja, hij was de koning. Aan het hoofd van zijn leger. Hoe kon een koning die plaats afstaan aan een andere alleen om naar zijn kind te gaan. Dat speelde de hele veldslag door hem heen, dat herinnerde de Orc koning zich wel toen hij alleen kwam te staan, dat hij doorgraag naar zijn kind had willen gaan.