
Hij stond in de lift bewust van het feit dat het wezen naast hem stond.
Voorover gebogen, in een gedoken, een overduidelijk slachtoffer van gebrek aan
vitamine D maar ja, in de onderste regionen van de flat viel geen licht.
Kunnen ze daar niet blijven, dacht de jongen minachtend, in die duistere kelders
waar ze thuis horen. Geen mens wil ze zien en dat weet het wezen. Hoe haalt hij
het in zijn hoofd om met mij naar boven te gaan. Zou iemand hebben gebeld om de
vuilnis op te halen. Hij rilde. Hij moest er niet aan denken dat het wezen in
het zichtbare licht door de zonverlichte gangen zou wandelen in het zicht van de
kinderen. Dat zou ze toch moeten verbieden. Hij deed een stapje achteruit om de
aanraking van het wezen te vermijden en juist die beweging maakte dat het wezen
zich bewust werd van hem en tot zijn afgrijzen draaide het wezen zich naar hem
toe.
