
De man keek op en zag daar iemand zitten. Even
raakte hij in paniek omdat hij niet wist wie die ander was.
Hij zag het gezicht van de ander betrekken. Ook in paniek raken en
dat deed hem even pauzeren. De ander greep naar iets naast hem toen
het ineens tot de man kwam. Natuurlijk, hoe kon hij dat vergeten.
Een grote glimlach kwam op zijn gezicht en hij stak zijn hand uit om
de jongen te grijpen en zei toen, "Egbert, hoe gaat het met je." Hij
zag zijn zoon opgelucht opkijken, zelfs verbaasd, opgewonden en hij
was blij dat zijn zoon nog steeds blij was zijn ouwe te zien.
"Pa, hoe gaat het met je?"
Die vraag verwarde hem, "goed natuurlijk, hoezo?" Voor het eerst
keek de man om zich heen. "Wat is dat hier?"
"Ik ben blij dat je er even ben, ik moet je wat vertellen."
Blij dat ik er ben? "Ja, oh, wat moet je me vertellen."
De jongen lachte en vader zag een grote glimlach op zijn lippen
verschijnen en voelde wel aan wat de jongen hem te vertellen had en
toch zei hij niets. Sommigen dingen moesten verteld worden of je het
nu al weet of niet.