
De leidster keek voor misschien wel de honderdste keer naar het
jongentje dat stilletjes naar buiten staarde in de hoop daar zijn
Oma te zien. Iedere auto werd met hernieuwde hoop gesignaleerd,
nagekeken, nagestaard en iedere keer werd zijn stille hoop gebroken.
De leidster hoopte dat zijn Oma snel zou komen. Meestal was ze er al
rond deze tijd. Het jongentje was gek op zijn Oma, het was Oma hier
en het was Oma daar. De leidster had nog nooit zoiets meegemaakt,
maar ja, zijn moeder had niet veel tijd.
"Maar ik vind het niet erg hoor, om op hem te passen," had Oma
gezegd, "het is zo een schatje."
Ze knuffelde het kereltje en keek hem aan, zoals een moeder naar
haar kind keek.