
Hij stond voor de rij van de parkeergarage en zag hoe
auto na auto in de garage verdween en hoe de rij
langzaam opschoof in de richting van de toegangspoort.
Zijn zoon zat achterin te jengelen en de rij schoot niet
op dus hij verheugde zich niet op de volgende tien
minuten. Ook al niet omdat hij moe was. Hondsmoe.
Zoonlief had de hele nacht lopen spoken en na de
zoveelste huilpartij was hij er maar uitgegaan. Met zijn
zoon. En Beiden hadden voor de TV gezeten en duf naar
een of ander kinderprogramma zitten kijken. Ach, nog een
jaar en dan wordt het beter, dacht hij hoopvol. Met de
versnelling in zijn twee kroop hij nog een milimeter op. En als het tegenzit dan sta je zo weer in de rij.
Verdomme, het was leuk dat de wet bewijs van bestaan
eistte bij het hebben van een bank of girorekening, maar
het betekende wel dat hij een middag kwijt was omdat te
regelen.
Je had ook eerder moeten gaan, fluisterde een stem in
zijn oor. Hij luisterde niet. Nog één auto en dan was
hij binnen. Een parkeerplaats zoeken en dan snel naar
het postkantoor waar zijn vrouw al was met hun dochter.
Ik hoop dat het niet druk is, dacht hij terwijl hij met
een druk op de knop een parkeerkaart kocht en langzaam
de garage in schoof op zoek naar een parkeerplek.