Ze zat op de grond en zag hoe iedereen haar razendsnel voorbij liep. Het was een goede plek. Ze haalde hier altijd veel geld op maar dat bracht haar niet altijd voldoening. Ja, ze had geld nodig, om eten te kopen, om een rustplaats te kunnen betalen. Om te kunnen leven maar toch ontbrak er iets. Elke dag telde ze haar geld en prees ze het leven dat het zo een goede plek was om te bedelen. Een plek goed genoeg om iedere dag weer naar huis te gaan met een aanvaardbaar hoeveelheid geld. Zodat haar kamereigenaar tevreden over haar was. Zodat ze mocht blijven. Maar toch ontbrak er iets. Ze keek de mensen elke keer weer aan maar ze renden haar voorbij op jacht naar van alles en nog wat en geen tijd voor haar. Geen tijd voor haar.


