
Imamu zag het gebeuren en snelde toe. Enkel met
de bedoeling om te helpen. Niets anders. De fee
lag op de grond en bloedde uit zijn wond op zijn
hand. Imamu wilde helpen maar Yejide was hem
voor. Ze stelde de kleine fee gerust en pakte
zijn hand. Imamu keek nauwgezet hoe ze te werk
ging want dat interesseerde hem enorm. Hij zag
hoe Yejide wat kruiden op de wond legde en er
toen over streek. Dat deed het bloeden ophouden
en Imamu vond het prachtig.
Kijk, de kraai is er weer eens bij, zei een stem
achter Imamu, die angstig omkeek. Zuri keek hem
vuil aan.
Kraai, kraai, gilde ze in zijn gezicht.
Ik wilde alleen maar helpen, verklaarde Imamu
gekwetst.
Kraai, kraai, gilde de rest van de
feeënkinderen.
Verdrietig vloog Imamu weg want hij wist dat
ze anders niet op zouden houden. Waarom zien ze
niet, dat ik alleen wilde helpen, dacht hij
verdrietig, gekwetst, ik heb toch geen kwaad in
de zin. De anderen begrepen het echter niet of
wilden het niet begrijpen. Eenzaam vloog hij weg
op zoek naar een speelkameraadje in de
wetenschap dat die er niet was.
Dat hadden we niet moeten doen, verklaarde Ife.
Ach wat, snauwde Zuri, hij is er altijd als er
iets aan de hand is. Toen Ngozi zijn arm brak,
was hij daar. Toen Masego een doorn in haar voet
had, was Imamu daar. Altijd als er iets aan de
hand is, zien we Imamu. Net een kraai, die zijn
er ook altijd als er doden of gewonden vallen.
Het was waar. Ife wist het maar het zette haar
ook aan het denken. Want Imamu hielp altijd en
had geen kwaad in de zin en velen hadden
geprofiteerd van het feit dat hij erbij was
geweest. Ife kende daar genoeg voorbeelden van.
Ze keek de eenzame fee nog eens na en wilde hem
achterna gaan maar Adisa riep haar.


