Fee

Imamu

Imamu zag het gebeuren en snelde toe. Enkel met de bedoeling om te helpen. Niets anders. De fee lag op de grond en bloedde uit zijn wond op zijn hand. Imamu wilde helpen maar Yejide was hem voor. Ze stelde de kleine fee gerust en pakte zijn hand. Imamu keek nauwgezet hoe ze te werk ging want dat interesseerde hem enorm. Hij zag hoe Yejide wat kruiden op de wond legde en er toen over streek. Dat deed het bloeden ophouden en Imamu vond het prachtig.
Kijk, de kraai is er weer eens bij, zei een stem achter Imamu, die angstig omkeek. Zuri keek hem vuil aan.
Kraai, kraai, gilde ze in zijn gezicht.
Ik wilde alleen maar helpen, verklaarde Imamu gekwetst.
Kraai, kraai, gilde de rest van de feeënkinderen.

Verdrietig vloog Imamu weg want hij wist dat ze anders niet op zouden houden. Waarom zien ze niet, dat ik alleen wilde helpen, dacht hij verdrietig, gekwetst, ik heb toch geen kwaad in de zin. De anderen begrepen het echter niet of wilden het niet begrijpen. Eenzaam vloog hij weg op zoek naar een speelkameraadje in de wetenschap dat die er niet was.
Dat hadden we niet moeten doen, verklaarde Ife.
Ach wat, snauwde Zuri, hij is er altijd als er iets aan de hand is. Toen Ngozi zijn arm brak, was hij daar. Toen Masego een doorn in haar voet had, was Imamu daar. Altijd als er iets aan de hand is, zien we Imamu. Net een kraai, die zijn er ook altijd als er doden of gewonden vallen.
Het was waar. Ife wist het maar het zette haar ook aan het denken. Want Imamu hielp altijd en had geen kwaad in de zin en velen hadden geprofiteerd van het feit dat hij erbij was geweest. Ife kende daar genoeg voorbeelden van. Ze keek de eenzame fee nog eens na en wilde hem achterna gaan maar Adisa riep haar.

vorigevolgende