Verveeld legde Jesse haar boek weg. Verdorie, dacht ze, het gaat altijd over
jongens. Meisjes zijn nooit eens de helden. Dromerig keek ze uit het raam. Ze wilde
zelf wel eens de held van een verhaal zijn, maar dromen zijn bedrog zong het liedje. Het zal dus wel nooit gebeuren. Ze zuchtte weer. Nee, het zal wel nooit gebeuren.
Verdrietig keek ze uit het raam en verwachtte de verhuiswagen te zien.
De nieuwe eigenaren kwamen vandaag. Nieuwe mensen, nieuwe gebeurtenissen,
dacht ze hoopvol. Er gebeurde
toch al zo weinig in het dorp. Waarom zat ze anders midden op de dag te lezen?
Haar vriendjes waren allemaal naar het zwembad en zij zat hier binnen omdat haar
moeder iets had besteld.
"Het wordt vandaag gebracht en ik heb het hartstikke hard
nodig dus blijf alsjeblief thuis."
Ja, wel, waarom niet, dacht Jesse, weer kwaad.
Ma heeft wat nodig en ik moet thuis blijven. Boos keek ze uit het raam en fronste
haar wenkbrauwen. Iets of iemand kwam er aan. Het was meer een gevoel dan dat ze
iets zag. Met gefronste wenkbrauwen ging ze rechtop zitten in bed om beter te kunnen
zien. Vanuit haar slaapkamer kon ze het landhuis zien. Een constante herinnering dat het niet van haar was. Haar vader was enkel de beheerder van het landgoed. Rentmeester noemde hij zich zelf.
Natuurlijk, pa, rentmeester, ze zuchtte. Het was een dag om te zuchten. Zuchten omdat het landgoed niet van haar was, zelf niet in haar dromen. Zuchten omdat de
nieuw eigenaren er aan kwamen. Zuchten omdat ze binnen moest blijven omdat haar moeder een pakje verwachtte. Ze kon net zo goed kijken hoe de nieuwe eigenaars er uit zagen, Buren noemde haar vader de nieuwe bewoners, Zij wist wel beter. Het waren haar vaders nieuwe werkgevers. De nieuwe bazen.
