Hulp die ze in het landhuis kon halen.
"Bellen, ik moet bellen," fluisterde ze terwijl ze zo hard als ze
maar kon naar het landhuis liep. "Als ik binnen ben, kan ik hulp
laten komen. Vader laten komen. Iemand laten komen."
Dat vooruitzicht joeg haar voort. Naar haar enige hoop. Het
landhuis. Ze rende de paden af door de tuin. Gaf zichzelf geen tijd
om rond te kijken. Ze kende de val van omkijken. Had het gezien in
ontelbare griezelfilms, waarbij het slachtoffer omkijkt en valt. Om
zo een prooi te worden voor de jager en zij wilde ontsnappen. Niet
ten prooi vallen van wat het ook was wat achter haar aan kwam. Ze
wilde dat het over was. Daarom rende ze maar door want ze wist zeker
dat zodra haar vader hier was de aanwezigheid zou verdwijnen. Het
enig wat ze hoefde te doen was naar het landhuis gaan. Het enige wat
ze hoefde te doen was bellen. Daar was eindelijk de trap naar het
landhuis. Jesse hijgde als een bospaard. De spanning en het rennen
eisten hun tol. Kom op meid, nog een klein stukje. Ze rende de trap
op. Naar de deur. Biddend dat de de deur open was. Het moest wel. De
verhuizers kwamen vandaag. Vader had de poort niet voor niks open
gezet. Dan was het toch ook niet meer dan logisch dat de deur van
het landhuis open was, toch.
"Zodat iedereen zomaar kan binnen lopen," vroeg een kleine stem in
het midden van haar hoofd. "Zodat onbekenden kunnen stelen wat ze
willen. Denk je echt dat je vader zo een risico neemt en de deur
open zou zetten?"
En ze had de sleutel in haar huis laten liggen. De deur moest dus
wel open zijn, dat moest gewoon want ze wist dat ze niet terug kon.
De vijand liep achter haar.
