Ze rende door de tuin met angst op haar hielen. Met angst kwam echter ook de woede. Woede omdat de schaduw haar opjoeg, achterna zat, geen tel gunde. Woede omdat ze zich niet zo wenste op te laten jagen en als het tastbaar was geweest dan had ze het zeker te lijf gegaan. Ze was geen teer meisje. Geen jankende trien. Ze kon zich zelf verdedigen en zou dat zeker ook doen. Probleem was dat ze niet wist wie ze moest aanvallen. De schaduwen waren overal. Dus rende ze voort, terwijl een plan zich vormde in haar hoofd. Haar vader was bezig op een stuk land aan de westkant. Ze kon naar hem toegaan om steun te vinden. Vier ogen zien meer dan twee. Ze liep alleen het risico dat haar vader naar het landhuis kwam om de verhuizers op te vangen. Zonder het van elkaar te weten, zouden ze elkaar net kunnen missen want het was waarschijnlijk dat haar vader met de auto ging. Langs de weg en zij was van plan om door het bos te lopen. Je kunt langs de kant van het bos lopen. De weg in de gaten houden. Opletten dat je vader je niet passeert. Naar hem zwaaien als hij voorbij komt. Waarom zou je dat niet doen, vroeg een kleine stem binnen in haar hoofd. Jessica kon het antwoord echter. Langs de kant van het bos was ze zichtbaar, kwetsbaar voor aanvallen uit iedere hoek en het prikkeldraad langs de rand beperkte haar opties. Om weg te rennen.
