Jessica

Ze rende het bos in op jacht naar het pad dat haar naar haar vader zou brengen. Ze wist waar het was, maar haar ogen scande desondanks voortdurend de weg om te voorkomen dat ze weer zou vallen. Maar dat zou niet gebeuren. Ze ademde veel vrijer. Opgelucht dat ze het had gehaald. Ze keek niet meer op of om. Ze wist de weg, wist waar ze heen wilde gaan. Zo vlug als mogelijk stak ze het laatste open plek over met iedere intentie om in het bos te verdwijnen toe het geluid haar stopte. Een schaduw verscheen in de schaduwen. Op het pad dat ze had willen bewandelen. Ze deinsde terug. Hoe kan dat nou? De schaduwen bevonden zich toch achter haar. Bevonden zich bij het huis. Hoe konden ze zo snel hier zijn, zo snel haar de weg afsnijden. Weer greep het onverklaarbare gevoel haar naar de keel dat ze niet menselijk waren. Het was meer paniek dat redelijk overleg dat haar het woud injoeg op een pad die ze niet zelf gekozen had. Het was angst die haar de tuin uit joeg. Het bos in. Geen zelfgekozen sanctuarium maar een plaats waar de schaduwen regeerden en ze rende in het bos in de volle wetenschap dat het nog niet gedaan was.