
Jessica rende door het bos met een zekerheid die voortvloeide uit ervaring. Ze had hier al honderd keer gelopen. Het was haar bos ondanks het feit dat iemand anders er voor betaald had. Ze had hier duizend keer gelopen. Ze had hier haar hele leven gewoond en de naam op de eigendomsakte mocht dan een andere zijn, het bos was toch van haar en hier vreesde ze de schaduw niet. Ze rende langs een bekend pad. Zag bekende bomen, struiken, bekend gewas. Ze zigzagde langs obstakels die ze al honderd keer was tegengekomen. Niemand kon haar hier bijhouden. Niemand kon haar hier volgen. Een verbeten lach sierde haar mond en ze viel terug in een bekend ritme want het was nog een lange weg naar haar vader en ze wilde zich zelf niet uitputten. De schaduwen zaten nog steeds achter haar aan. Ze was er compleet door verrast. Ze had gedacht dat de schaduwen waren verdwenen. Verrast door haar onverwachte beweging om het bos links in te gaan. Een kant waar ze niet heen wilde. Een kant die onlogisch was gezien de situatie waarin ze zich bevond. Een kant die niemand verwachtte. Zelf zij zelf niet. Zo abrupt, zo onverwacht was het geweest en toch zaten de schaduwen nog achter haar aan. Waren er dan zoveel dat ze iedere kant in de gaten konden houden? Een gedachte die zweet liet uitbreken op het gezicht van Jessica. Maar zoveel schaduwen konden toch niet ongezien op het landgoed komen. Zoveel schaduwen moet zelf haar vader toch opgevallen zijn. Haar vader die iedere dag het landgoed bekeek om te zien of er geen stropers waren. Haar vader die iedere dag het landgoed op ging om zijn opdrachten te geven aan zijn medewerkers. Haar vader die nog beter de weg wist dan zij zelf. Die vader moest het toch opgevallen zijn dat de schaduwen er waren?

