Jessica

In het duister bewoog iets en het was zwart zodat Jessica niet kon zien wat het was. Haar hart bonsde in haar keel. Zweet gonsde van haar voorhoofd. Het was in orde om bang te zijn vond ze zelf. Ze zat alleen in het bos en schaduwen sloten haar in en geen hulp in de buurt. Dus mocht ze bang zijn. Maar angst mocht haar niet verlammen. Ze moest naar een uitweg zoeken. De schaduwen waren overal en ze had nog steeds de heilige overtuiging dat het geen mensen waren. Ze hoopte dat de schaduwen eindelijk een eind aan het spel zouden maken. Ze hadden haar waar ze wezen moest, daarvan was ze overtuigd. Ze hoopte dat de schaduwen eindelijk zich zelf zouden laten zien zodat ze wist wie ze tegen over zich had. Ze hoopte dat en ergens toch ook weer niet. Als de schaduwen niet menselijk waren, kon er niet veel goed van terecht komen van hun onthulling. Ook dat wist Jesse. Ze moest echter wat doen en voor als nog hielden de schaduwen haar vast. Beweging was zichtbaar aan de uiterste rand. Een schaduw in een schaduw die bewoog. Jessica's ogen schoten er heen. Namen het op. Probeerde het te onderzoeken. Waar te nemen wat het was. Voor als nog bleef het een schaduw in een schaduw maar het kwam dichterbij en de nervositeit bij Jessica nam toe. Er kwam iets aan. Er kwam eindelijk iets aan en ze had geen schijn van kans het te ontlopen. Geen kans om te ontsnappen omdat ze het zag komen en omdat ze niets kon doen, leunde ze tegen een boom en wachtte af.