Jessica

Jessica keek naar haar vader. Voor bescherming, voor beschutting maar hij wendde zich af en Jesse vroeg zich af wat er aan de hand was. Ze wendde zich weer tot de schaduw en de venijnige stem die haar bedreigde. Het was dichter bij gekomen en ze zag nu de man achter de stem en huiverde. Het zag er normaal uit maar Jesse voelde de rottigheid en verval er achter. Dit was geen normaal mens. Ze draaide zich om en rende weg. Naar huis, naar haar moeder, naar veiligheid. Ze rende zo hard als ze kon, bang als ze was dat de schaduw haar achter na zat. Zo hard als ze kon om de stem in haar hoofd te ontvluchten. Die stem van die ouwe vrouw die maar rond zong en rond zong en haar verwijtend toesprak: de schaduwen komen er aan, je vader heeft gefaald en het leek erop dat ook zij te laat was gekomen en dat haar vader reeds in de klauwen van de schaduw was gevallen. Wat moet ik doen? Ze wist het niet maar thuis was er veiligheid, hoopte ze. Ze stormde door de deur en gilde om haar moeder. Geen geluid, geen reactie, geen begroeting. Ze stormde door naar de keuken en wellicht daarom viel het haar zo laat op. Ze stopte en keek rond. Het huis zag er vies uit, slecht onderhouden, donker, in duister gehuld en te laat herinnerde ze zich het rouwkleed in de gang. De rouwbloemen aan de deur. Wat was er gebeurd?