Ze begreep niet wat er was gebeurd, ze wist niet wat hem zo had
veranderd, het enige wat ze wist dan het haar vader niet was. Het
kon haar vader niet zijn. Haar vader had haar nog nooit geslagen.
Haar vader had haar altijd beschermd. Haar vader zou haar nooit in
de slaapkamer werpen en daar opsluiten.
Oh, god, snikte ze, het kon haar vader niet zijn, dat mocht niet,
dat kon niet en toch kon kon ze de waarheid niet ontkennen. Het was
haar vader wel. Iets of iemand moet hem hebben veranderd. Iets of
iemand, fluisterde ze zacht voor zich uit en ze wist wie die iets of
iemand was, is het niet?
Ja, ze wist het, de vijand, de schaduw en ze had de schaduw net
gemist. Bang als ze was, had ze de confrontatie niet aangedurfd. Ze
wist nu echter dat er geen ontkomen meer aan was, haar vader kon
haar niet beschermen en haar moeder was dood, ze stond er alleen
voor en dat deed haar in huilen uitbarsten. Het huilen duurde niet
lang. Ze was een praktische meid. Huilen bracht niets, loste niets
op. Luchtte enkel op en soms was dat nodig maar ze had een taak te
vervullen. Haar moeder was niet echt dood. Ze kon het nog
terugdraaien. Daarvan was ze overtuigd. Ze moest enkel sterk zijn.
De ouwe vrouw zien te vinden. Zich terug laten brengen naar het
juiste tijdstip en die hele tragedie zien te voorkomen. Ze moest
haar moeder terugbrengen, haar prijs als ze won maar wat kreeg de
schaduw als het won: haar vader?
