Beschaamd opende ze de deur en keek haar slaapkamer in. Beschaamd maar ook een beetje angstig. Iets had haar toch verjaagd. Iets had haar toch uit bed verdreven en gezien de problemen waar ze in zat, was ze van plan dit serieus te nemen. Vader? Nee, ze had geen tijd voor dat. Ze strompelde uit de klerenkast de slaapkamer in, naar het raam en keek naar buiten. Schaduwen beheerste de nacht. Formidabele tegenstanders en voor een tel was ze blij dat ze hier opgesloten zat. Een tel en toen was ook die gedachte verdwenen. Vervangen door een andere. Een meer dringende: wat moet ik doen. Ze wist het niet. Observeren, kijken, waarnemen, plannen maken, iets bedenken, het leven van haar moeder hing er van af. Maar voor het moment was ze leeg en keek ze naar de dreiging buiten. Hebben deze wezens mij het bed uit gejaagd? Ze klonken zo bekend en even dacht ze dat de dreiging van nog verder weg kwam en dat het de schaduwen versluierde. Er is hier meer te zien dan ik kan bekijken, en dat klopte. Er was meer te zien dan ze zelf begreep want achter de schaduwen heerste het duister. Het lijkt wel of de schaduwen mij beschermen tegen het duister. Onzin natuurlijk, valse hoop natuurlijk. Het kon niet zo zijn en toch leek het daar wel op. Ik moet naar buiten, dacht ze snel en ze schrok van zichzelf, maar de deur is op slot. Om het te bevestigen, liep ze naar de deur en probeerde het slot. De deur opende zich. Angstig slaakte ze een zucht. Er was iemand in haar kamer geweest!
