Ze probeerde sneller te rennen maar ze was op een trap. Een trap verdraagt maar zoveel snelheid, meer en je lazert er van af. Het was niet eerlijk. Unfair. Ze had meer snelheid nodig om dat wat achter haar aan kwam te ontwijken. Om daarvan te ontsnappen. Maar een trap verdraagt maar zoveel snelheid en de voetstappen achter haar kwamen dichter bij. "Waar denken wij heen te gaan," bulderde een stem, die ze eerst niet herkende maar toch zo bekend voor kwam. Vader. Ze weigerde achterom te kijken. Weigerde te reageren. Ze wist dat iedere inbreuk op haar concentratie dramatische gevolgen zou hebben. Ze zou vallen. Ze zou weer in de handen van haar vader vallen en het was haar vader niet meer. Het was iemand anders geworden. Een vreemde. Een vijand en ze moest hem ontvluchten, ze moest hem voor zijn. De vijand verknoeide geen tijd met verdere vragen. Ze hoorde het versnellen van passen. Het verhogen van de snelheid en ze probeerde er zelf ook de gang in te houden. Gelukkig kwam de deur steeds dichterbij en achter de deur de onzekerheid. Als de schaduwen daar buiten de vijand zijn, ben ik verloren, dacht ze panisch maar er was geen weg terug. Haar ergste nachtmerrie bewoog zich achter haar: haar vader.
