Ze stormde door het bos als of de duivel op hun hielen zat en wellicht was dat ook wel zo. De schaduwen moesten ergens vandaan komen. Hel was een goede plaats voor hen. Hel. Kon ik ze daar maar heen schoppen dan was alles zo voorbij, had ik die macht maar. Wees voorzichtig met wat je wenst, meid, iemand kon je die macht wel eens geven. Ja, laten ze dat maar doen dan is alles zo voorbij. Je vader had die macht ook en heeft gefaald. Ik zou niet falen. Oh, nu ben je ineens beter dan je vader en die gedachte deed haar schrikken. Nee, niet beter dan haar vader, dat was het niet. Ze was anders maar hoeveel anders kon ze niet zeggen. Anders genoeg om een eenhoorn te berijden, anders genoeg om ze te zien, te voelen, niemand anders had eenhoorns gezien in jaren, wellicht eeuwen, zoveel anders was ze. En nu was ze op de vlucht voor de schaduwen die haar anders zijn vreesde en wilde vernietigen en haar enige hoop was een ouwe vrouw in het bos. Als je maar een manier vindt om met haar te communiceren, dat is het allerbelangrijkste. Communiceren? Ja, ze herinnerde het laatste gesprek nog, niet zo lang geleden. De vrouw dacht, ja in wat dacht ze nu eigenlijk? Het was een probleem die ze moest oplossen. Concentreer je maar eerst op dit moment, we zijn er nog niet. En ook dat was waar. Ze waren aan het racen door het bos en enkel het feit dat ze op de rug van een eenhoorn zat, maakte dat ze zich geen zorgen maakten. De eenhoorns wisten waar ze waren en waar ze naar toe wilden, Jesse vroeg zich enkel af waarheen dat was.
