
John keek
Aida aan om te zien of de emotionele storm al was
overgewaaid. Hij wist dat het meisje het zwaar had met de dood van haar vader en
zijn hart ging naar haar uit maar hij had een opdracht te vervullen en kon dus
niet stoppen. De zwerver was duidelijk geweest en
John wist dat hij niet kon
weigeren. De belangen waren te groot. De schaduwen moesten worden tegengehouden
en wie weet had hij
Aida daarbij wel nodig. Zat ze daarom naast hem in de wagen.
Ja, misschien was dat wel de reden, zeker weten deed hij het niet. “John,” Aida keek hem aan, “kunnen we ergens wat te
drinken halen, ik heb dorst.”
Zijn eerste impuls was nee te zeggen. Hij had genoeg van haar gezeur. Hij voelde
een vloed van irritatie naar boven komen maar op een of andere manier bereikte
die vloed zijn mond niet en kon hij het dus ook niet uitspreken. Het stierf in
de wetenschap dat haar vader zich had opgeofferd voor hem en dat maakte dat zij
een claim op hem had. Een claim groot genoeg om zijn irritatie te doen
inslikken. Hij keek haar aan. “We komen zo wel in een stadje waar we wat kunnen drinken,
kun je het zolang nog uithouden?”
Ze knikte dapper en voor het eerst viel het hem op dat ze mooi was. Mooi en
dapper. Dapper omdat ze ondanks het feit dat haar vader nog maar pas was
gestorven toch de moed had gevonden om met hem mee te gaan. Hij wist niet veel
meisjes die dat konden. Het bond hem nog meer aan haar en hij zuchtte want hij
wist dat die gedachte zijn eigen verantwoordelijkheid meebracht.
