
Ze liepen door de enige straat dat het gehucht rijk was en deden net als of
er niets was gebeurd. Naast elkaar. John had het wel eerder gezien. Echtparen
die na jaren van huwelijk het wel gezien hadden maar toch bij elkaar bleven.
Gescheiden door een dun laagje lucht liepen ze naast elkaar. Zo voorzichtig
mogelijk. Zodat ze elkaar niet aanraakten. Hij had nooit gedacht dat hem zoiets
zou overkomen en hij was nog niet eens getrouwd. Een cynisch lach speelde rond
zijn lippen. Ja, nog niet eens getrouwd en nu al huwelijksproblemen. Zijn hart
ging naar haar uit maar zijn verstand ratelde maar door met bezwaren en hield
hem tegen. Je hebt een taak hier te vervullen en je hebt maar drie dagen. Ik
zou me maar concentreren als ik jouw was. Zijn verstand had gelijk. Met een
diepe zucht drukte hij op de bel van het huis waarin hij de heks in had zien
verdwijnen. Er werd niet opengedaan. Hij keek door het raampje om te zien of hij
iets zag.
”Misschien is ze niet thuis,” opperde Aida, “misschien is ze gevlucht.”
Hij geloofde er niets van. Hij kende de heksen. Zo gauw gaven ze niet op.
Voorzichtig liep hij om het huis heen. Bewust van het feit dat het koud was en
dat de kou van binnen leek te komen en was dat geen indicatie dat de heks nog
steeds in het huis was?
