
Hij was te laat. Hij wist het. Zijn moeder had nog zo gezegd dat hij voor het eten thuis moest zijn en hij had niet geluisterd en betaalde nu de prijs. Voor het eten betekende voor het donker en dat was iets wat de jongen zich niet gerealiseerd had. Nantan had er nu spijt van maar berouw komt altijd na de zonde, zei zijn vader altijd en nu pas leerde hij de moraal van dat verhaal. Hij was veel te laat en schuimde nu de straten af in een pikdonkere nacht, verlicht door neonreclame. Hij probeerde zo dicht mogelijk bij de huizenkant te blijven. Bijna weggestopt tegen de muren van ouwe huizen. Maar portieken herbergden hun eigen gevaren en hij schrok op toen een dronkaard luidruchtig zijn schuilplaats uitkwam en begon te schelden. In paniek probeerde hij weg te rennen. De ouwe man stond echter in de weg en liet hem niet gaan. In een schijnbeweging veinsde hij naar rechts te gaan en vluchtte toen naar links. Langs de ouwe man die scheldend zijn woorden in de achtervolging gooiden en zo de aandacht op hem vestigde. Nantan zag dat meer mensen naar hem keken en vertraagde zijn pas. Hij kon geen aandacht gebruiken. Hij was hier maar alleen. Geen bescherming, alleen in een straat waar hij niet hoorde te lopen op dit tijdstip. Helemaal alleen
