
Tony lag in zijn bed en ondanks alle geruststellingen van zijn moeder rilde hij. Van angst of van de kou? Hij wist het niet maar hij was koud. Hij probeerde zich dieper in zijn dekbed te wurmen. Rolde het dekbed om zich heen, nestelde zich in zijn dekbed en probeerde de kou buiten te sluiten door iedere millimeter van zijn lichaam te bedekken met het dekbed. Het hielp niet. Kou hield hem in zijn greep en in zijn gedachten leek het wel of ijs zich afzette op zijn lichaam. Onzin, stel je niet aan, je weet wat je moeder hebt gezegd. Ja, hij wist wat zijn moeder had gezegd. Dat het onzin was, dat zijn kamer niet kouder was dan de rest van het huis. Dat het geld niet bij zijn moeder op haar rug groeide en dat daarom de kachel niet de hele avond aan kon blijven, dat hij zich niet moest aanstellen, een kouwelijer was en nu echt op moest houden met het gezeur want hij had al een dubbel dekbed en geen normaal mens had het koud onder een dubbel dekbed. Maar hij had het koud. Ondanks het dubbele dekbed. Ondanks het feit dat zijn kamer niet kouder scheen te zijn dan de rest van het huis, had hij het koud. Hij rilde toch niet voor niks van de kou. Waarom wilde zijn moeder hem niet geloven, waarom kwam ze dan niet kijken, waarom kwam ze dan de kamer niet in om de kou te voelen? De kou die hem overmeesterde en het bijna onmogelijk maakte om te slapen want zo koud was het. En toch viel hij in slaap en een nachtmerrie teisterde zijn dromen.
