
Aida stond op zolder naar beneden te kijken. Daar waar ze haar vader wist. Ze zag aan zijn schaduw dat hij zich niet verplaatst had want meer liet het maanlicht niet zien. Enkel de silhouet van een grote man op het veld. Een silhouet die men van mijlenver kon zien en opnieuw vroeg ze zich af hoe het kwam dat niemand argwanend was. Zo precies als de maancyclus was, stond haar vader op het land bij volle maan en bewerkte het gewas. Bewerkte de aarde en trachtte zijn impulsen in bedwang te houden. Ja, vroeg ze zich af, hoe kwam het dat niemand argwanend was. Ze had de dorpsagent gewaarschuwd. Dat had ze tenminste gedaan want als haar vader dadelijk van het veld zal komen, was hij geen mens meer en daarom moest ze zich verstoppen. Ze keek rond naar waar de boekenkist was en liep er naar toe. Haar veilige haven tijdens talloze volle manen. Toen ze er achtergekomen was dat ze een dergelijke veilige haven nodig had, had ze de boekenkist gevonden en nu kroop ze erin want het was weer een van die nachten. Ze sloot de boekenkist en wachtte af of het beest zou verschijnen. Haar vader was niet slim in zijn dierlijke vorm en had haar nog nooit gevonden. Ze vreesde echter dat het eens zou gebeuren. Daarom zat het slot heel slim aan de binnenkant. Een andere drempel die haar vaders dierlijke ik hopelijk maar moeilijk kon overschrijden. Voor het moment was ze veilig en door een immens kleine kier zag ze dat de maan zijn hoogste punt had bereikt. Haar vader kwam er aan en er was niemand om haar te helpen.
