
John zat in de wagen en dacht aan de lerares.
Voor een moment vergat hij alle andere dingen en het was meer instinct dan
gezond verstand dat hem deed besluiten om zijn wagen aan de kant te zetten. Het
was ook instinct dat hem in elkaar deed kruipen om de komende storm van pijn en
ellende af te weren. Een voorbijganger die het zag vond het maar vreemd dat de
inspecteur opgevouwen op de achterbank van zijn auto lag maar de inspecteur wist
dat het de beste positie was.
“Waar is de vrouw,” galmde een stem door zijn hoofd, “waar is de vrouw?” Een
wreed penetreren in zijn brein vond plaats en hij gilde het uit van de pijn.
“Waar is de vrouw?”
Zijn brein had geen antwoord. Vertelde alleen dat hij de vrouw had laten gaan.
Vertelde alleen dat hij zijn vriend had laten gaan, dat ze weggereden waren.
”Ik had je een opdracht gegeven,” siste de vrouw en John wist dat het erg zou
worden.
Even later zat hij in de auto achter zijn vriend en diens dochter aan en hoopte
tegen beter weten in dat ze waren ontkomen. Alles hing er van af hoelang hij
buitenwesten was geweest. Hoelang de lerares hem had gestraft. Ze kon soms
doordraven maar dit keer had hij het idee dat ze dat niet gedaan had. Ze wilde
het gezin dolgraag in haar klauwen hebben en zijn vriend had geen idee hoewel
moeite het hem had gekost om ze weg te laten rijden.

