
Vivian stapte de bar binnen en keek om zich heen. Het was druk en dat kwam haar goed uit. Druk is goed. In drukte ben ik beschermd, dacht ze verward en vroeg zich af waarom ze gekomen was als ze dacht dat ze gevaar liep. Het komt door Guenevere, dacht Vivian, ze heeft me gewaarschuwd voor Mordred. Ik moet me niet gek laten maken door haar, Mordred heeft niks kwaad gedaan, helemaal niks, ze is gewoon jaloers omdat Mordred mij heeft gevraagd. Haar hart bonkte in haar borst, hij had haar gevraagd. Panisch keek ze om zich heen op zoek naar een lege plaats. Ze was te vroeg zoals altijd. Ze kon er niet tegen te laat te zijn. Wat zou hij daarin lezen? Zou hij denken dat ik een eenvoudige prooi zou zijn, gemakkelijk te veroveren, iemand die alles aanpak, gewoon om niet meer alleen te zijn. Zou hij dat van me denken en ze bibberde en trilde en zag geen lege plaats en was gedwongen aan de bar te staan. Tussen al die mannen die niet naar haar keken en haar niet zagen staan. Ze bemerkte het geeneens. Als je aan Vivian zou vragen of ze eenzaam was, zou ze het ontkennen. Ze realiseerde het zich niet maar eens in de zoveel tijd kwam er een kans op geluk voorbij en moest ze wel reageren. Een raar gevoel in haar onderbuik joeg haar naar buiten en het gevoel kwam naar boven dat er meer was dan wat ze nu had. En voor dat ze het wist, zat ze in een bar te wachten. Op hem. Op Mordred, hij die volgens Guenevere gevaarlijk was maar dat kon Vivian niet geloven.
