
Vivian keek de kerk rond. Op zoek naar bekende gezichten. Op zoek naar
vrienden, bekenden, kennissen. Op zoek naar iemand die ze kon, die wellicht
naast haar wilde zitten. De eenzaamheid drukte op haar en het feit dat ze
niemand kon vinden, benadrukte dat alleen maar. Niemand, dacht ze
verbitterd, helemaal niemand. Ik ben alleen. Het deed haar weer denken
aan Mordred, die niet gekomen was en vlug verborg ze haar blik in het
parochieboekje om te voorkomen dat iemand haar zou zien huilen. Er kwamen echter
geen tranen meer. Ze was droog, uit gehuild en verdrietig dacht ze dat dat
feit haar ellende wellicht het beste illustreerde. Ja, kijk maar goed,
schreeuwde ze woordeloos uit naar al die mensen in de kerk die zonder twijfel
naar haar keken en dachten dat ze een aansteller was. Kijk maar goed, en tik je
partner maar aan. Pak de hand maar van je geliefde en wijs hem maar naar die
gekke meid, die vreemde, die daar maar in haar kerkbankje zat en zich aanstelde.
Alleen, laten we dat aspect vooral niet vergeten. Alleen. Nog niet eens verlaten
want daarvoor had hij eerst moeten komen, moeten verschijnen en zelf die moeite
had hij niet genomen. Nee, hij was weggebleven. Ze was niet belangrijk genoeg,
niet aantrekkelijk genoeg. Ja, bespreek me maar met jullie vriend, wijs maar
naar dat lelijke eendje op de kerkbank die daar maar zo alleen zat te wezen.
Oh, waarom ik niet, dacht ze verbitterd terwijl ze vol jalousie naar de paren om
haar heen keek in de wetenschap dat iedereen ook naar haar keek.
