
Nicole strompelde Parcifal braaf achterna, naar binnen. Het was druk in het
café en even voelde ze een drang opkomen om zich om te draaien en weg te wezen.
Terug naar haar eigen huis, Naar de veiligheid van haar eigen woning. Parcifal had
haar daar voor gewaarschuwd en dat was dan ook de enige reden dat ze bleef. Ik
kan me niet eeuwig verstoppen, eens moet ik er toch weer uit. Ze huiverde echter
bij de herinnering van de dag daarvoor. Okay, ik heb me er doorheen geslagen
maar vraag niet hoe, oh, alsjeblief, vraag niet hoe. “Gaat het,” vroeg Parcifal
zachtjes aan haar. Ze knikte. In een poging dapper te lijken. Dapperder dan ze
was. Hij moet het gevoel krijgen dat ik het wel aankan, ik kan niet de rest van
mijn leven op hem steunen. Hij heeft recht op een eigen leven. Dus glimlachte ze
hem toe en liep parmantig door, terwijl haar linkerbeen zich achter haar aan
sleepte. Ze had de neiging om hard op haar been te slaan. Ze deed het echter
niet. Het had geen zin. Verlamd is verlamd.
“Zullen we hier gaan zitten?” Parcifal keek haar aan. Medelijden in zijn ogen.
Nee, geen medelijden, bezorgdheid. Je kon zeggen wat je wilde van Parcifal, hij
had haar handicap leren accepteren en toonde geen medelijden meer. Ze was zoals
ze was en beiden hadden geleerd dat feit te accepteren. Medelijden had geen zin.
Werkte slechts averechts. Ze moest door, haar handicap leren overwinnen en
meestal ging dat wel. Alleen niet als een bende barbaren achter je aanzit. Enkel
niet als een bende wilden je willen overmeesteren en ze huiverde bij de gedachte
wat haar had kunnen overkomen.
