Een gewoon iemand in een gewone café. Veel meer was het niet. Parcifal was
zich daar volledig van bewust. Hij was een gewoon iemand in een alledaags café
en alles zag er heel gewoon uit maar niet alles was wat het leek. Oh, nee,
Parcifal was zich volledig bewust van het feit dat hij niet een gewoon iemand
was in een gewoon café. De man voor hem bevestigde dat. Niet alles was wat het
leek en hij voelde de wanhoop diep in hem groeien en vroeg zich af of hij hier
levend vandaan kon komen. Hij stond daar bespottelijk met zijn kruis omhoog en
omringt door lachende mensen maar niet alles was wat het leek. Parcifal wist dat
donders goed en hij versaagde daarom niet. Dit waren vampiers, geen mensen en
als hij ze door zou laten dan gingen ze op jacht en zijn zuster was de prooi.
Nee, hij mocht niet versagen, zoveel hing er vanaf.
"Ik laat jullie er niet," schreeuwde hij de vampiers toe die huilden tegen het
kruis dat hen pijn deed en verwondde en even hoopte Parcifal dat ze weg zouden
gaan. Onzin natuurlijk, zo gemakkelijk gaven ze het niet op en het was nog vroeg
in de avond. De zon kwam voorlopig nog niet op en Parcifal vroeg zich wanhopig
af hoe lang hij het kruis omhoog kon houden.
Een koud stuk ijzer werd in zijn nek gelegd en Parcifal vroeg zich af wat het
was, als of hij dat nog niet wist.
"Stop weg," bromde een stem achter hem en het stuk metaal werd ineens een stuk
dreigender. Zo dreigend dat Parcifal wel moest reageren.
