
Joris wilde ook wel de provinciale weg nemen maar die was
verboden voor fietsen. Ach jongen, er niks aan de hand met die kijkuitstraat,
snauwde de meester hem toe nadat Joris voor de zoveelste keer had gevraagd of
hij mee mocht rijden, je gaat maar lekker fietsen hoor, dat is gezond.
Ja, ja, dacht Joris wrang, en nee, nee, spoken bestaan niet en dat was ook niet
waar hij bang voor was. Het was het maïs. Het ritselde ook als er geen wind
stond.
"Het is je verbeelding Joris."
"O, ja, meester, waarom rijdt u dan niet een keertje met me mee," maar dat deed
de meester nooit.
"Misschien van de zomer," had de meester gezegd maar het werd nooit zomer,
nooit.
Angstig keek Joris naar de maïsvelden. Het hoorde hier niet. Maïs hoorde in
Zuid-Amerika. Maïs kwam uit Mexico. In Mexico maakte ze poppetjes van maïs. Daar
hoorde het. Wat deed het hier dan behalve hem angst aan jagen?
"Sommigen dier of plantsoorten kwamen met schepen van andere continenten en
leerden hier overleven. Om dat te doen moesten ze nieuwe dingen leren eten,
leren omgaan met ander weer, andere prooi. Dat ging relatief gemakkelijk want ze
hadden uiteraard ook geen natuurlijke vijanden," doceerde de meester. Het galmde
rond in Joris hoofd en even verslapte zijn tred en begon hij langzamer te
fietsen maar dat was natuurlijk onacceptabel want hij moest hier weg.
