
"Ergens is er iets veranderd maar wat," Troy keek droevig over
de maïsvelden waar de maïskolven wild heen en weer zwiepten en iedereen de
indruk gaven dat ze honger hadden. En ze hadden honger. Mensen verdwenen. Iets
verstopte zich in die maïsvelden en at mensen op. Troy was een visser en had het
gevoel dat iets hem aan de haak probeerde te slaan. Ja, dat was het, iemand
loerde op hem zoals hij naar de vissen loerden die hij aan de haak probeerde te
slaan. Troy keek naar zijn collega
die zenuwachtig met zijn revolver speelde. Onwetendheid genereert de grootste
angst, dacht Troy wrang, onbewust van het feit dat zijn hand ook op zijn
revolver lag. "Van die dorpelingen worden we ook niet veel wijzer," mompelde
zijn collega boos en Troy dacht terug aan het gesprek met enkele dorpelingen die
inderdaad niet veel zeiden.
"Angst," vroeg Troy zich af. Zijn collega snoof diep, haalde toen diep adem en
zei: "misschien en misschien hebben ze iets te verbergen."
En dat kon heel goed. Er waren teveel verdwijningen geweest om niet op te vallen
en wie weet wat de dorpelingen er mee te maken hadden.
