Horror

Een karretje op een zandweg reed,
De maan scheen helder, de weg was breed
het paardje liep met lusten,
Ik wed dat het zelf zijn weg wel vindt,
De voerman lei te rusten.
Ik wens je wel thuis, mijn vriend, mijn vriend,
Ik wens je wel thuis, mijn vriend.

Ja, alles was in orde en bleef in orde, hamerde de voerman zichzelf in. Je moet je niet gek laten maken door al die bakerpraatjes.
Maar iedereen wist dat er iets mis was met deze weg. Er gingen geruchten, er werden verhalen verteld en het gevolg was dat het bos werd vermeden. Maar dit is een noodgeval. Je moet wel. Je zoon wacht op je. Je zoon heeft je om hulp gevraagd dus dan ga je er zo snel mogelijk heen en praatjes zijn alleen dat, praatjes. Als je op je hoede blijft, als je goed uitkijkt dan kan er toch niets gebeuren? De paarden zijn vers, spoor ze nog maar eens aan. De paarden ruiken hun stal. Logisch want het is hier niet weer vandaan en volgens de verhuurder hebben ze dit pad al vaker gelopen. Hij hoefde de paarden ook bijna niet te mennen. Het leek wel of ze weg zelf wisten dus vergeet die kinderverhalen, kijk goed uit en dan ben je snel weer thuis.