
Het was wit en niet zwart en niet bang voor het licht. Ze zouden toch bang zijn voor het licht? Maar het monster lifte mee op het licht van de schaarse lantaarns die het middenplein verlichtte. De creatuur scheen niet bang te zijn voor het licht. En in eens begon het bij hem te dagen. Het moest wel. Er waren minder en minder donkere plekken te vinden in de stad. In de wereld. Mensen keken wel uit om het donker op te zoeken. De mensheid had inmiddels wel geleerd dat het donker gevaarlijk was. Het wezen moest wel veranderen, moest zich wel aanpassen als het wilde eten. Thomas realiseerde zich het gevaar waarin de mensheid zich bevond. Als we ook al niet meer veilig zijn in het licht, waar vinden we dan veiligheid, dacht hij angstig terwijl hij zijn blik op het monster gericht hield.
