Het vierspan keek naar buiten. Gelukkig was het mooi
weer dus ze konden de ruimtehaven in al zijn glorie zien
liggen.
"Wie had ooit gedacht dat het zo snel zou gaan," zei
Sarah verbaasd.
"Eindelijk op weg, omhoog, naar de ruimte," zei Michael
gelukkig.
"Ja, en in de ruimte regent het gelukkig niet," zei Lea
met een lach. Ze had een hekel aan regen.
"Rondje vliegen, slapen in het ruimtestation, terug en
klaar," zuchtte David, "weinig tijd voor avonturen."
"Dat had je nou niet moet zeggen," zeiden de drie en
weet je, ze hadden gelijk, dat had David nou niet moeten
zeggen. Het ruimteveer ontstak zijn motoren en een enorm
gebulder klonk door de cabine. Het vierspan kreeg geen
kans meer om te praten. Het lawaai ontnam ze die
mogelijkheid. Het lawaai dat vooraf ging aan iedere
lancering maar dat kon het vierspan niet weten. Dit was
hun eerste keer.
"Als het maar goed gaat," mompelde Sarah.
"Het moet goed gaan," brabbelde Lea, onbewust van het
feit dat haar tweeling zus hetzelfde hoopte. Ze had het
gebed van haar zus niet gehoord. Het lawaai was te hard
om iets anders te horen dan het gedonder van de motoren.
De jongens zaten met een eensgezindheid die je van een
tweeling mag verwachten te luisteren en te kijken.
Overtuigd van het feit dat het goed zou gaan. Zou vader
ons anders laten gaan, dachten de jongens eensgezind.
Nee, dus, en anders was het toch te laat. Het
ruimteschip vertrok met een donderende geraas.
