Het binnenste van de tempel was een grote zaal met
daarin een kist. Een prachtige kist. David wist dat
daarin de farao's begraven werden. Waarschijnlijk was
dat op Mars niet veel anders dan op Aarde. Dus toch
menselijk. Het vierspan keek het buitenaardse wezen aan
en ze vroegen zich af, wat ze moesten doen. Het wezen
keek niet terug maar liep in plaats daarvan naar het
graf en begon te huilen. Het klonk eng en gemeen en
helemaal niet gemeend. Het was als of het wezen de spot
dreef met verdriet. Het zinde het vierspan niet maar er
was niets wat ze er aan konden doen. "Hoe hol je
verdriet, J'ar, je denkt toch niet dat je me daarmee
overtuigt." Een vrouw kwam naar voren. Een Egyptische
prinses, zag Michael. Een mens zag David. Een vrouw zag
Lea. Een gevaarlijke vrouw zag Sarah. Het vierspan was
een beetje verrast door de plotseling verschijning en
vroeg zich af wat de prinses hier deed.
"Neferatu, je bent er nog steeds."
De prinses wees om zich heen, "ik ben hier voor eeuwig,
J'ar, dat weet je."
"Ik wil je gezelschap houden, Neferatu, voor eeuwig en
eeuwig."
De prinses rilde toen het buitenaardse wezen dat zei. Ze
keek hem smekend aan. "Dat niet, J'ar, dat nooit."
"Je kunt me niet tegenhouden, Neferatu, ik heb ze alle
vier bij me," en hij wees naar het vierspan dat bij
elkaar gekropen op de uitkomst wachtte.
"Kinderen, J'ar, het zijn slechts kinderen."
J'ar lachte daarom. "Kinderen, ja, tweelingen, ja. Twee
jongens, twee meisjes. Ik heb aan de bepalingen voldaan.
Niemand houdt me nu nog tegen, Neferatu, niemand." Hij
draaide zich om en keek het vierspan aan. "Jullie moeten
precies doen wat ik zeg, zodat jullie niks gebeurt. En
denk erom, zonder mij komen jullie nooit terug in jullie
eigen tijd, nooit," en hij keek het vierspan vuil aan.
