Hugo en Bono
De  bel. Hugo rent naar de gang om samen met papa open te doen. Papa schiet nou op.
O, kijk, papa komt er al aan. Hij doet de knip van de deur en doet open.
Hoi, Gerard, kom binnen.
Hugo springt vrolijk op en neer. Oom Gerard, oom Gerard.
Hé, Hugo, hoe gaat het met mijn petekind?
Goed. Kom je doen?
De papieren van je ouders brengen. Is dat goed?
Ja,
Samen lopen ze de kamer in. Daar zit Bono in zijn kinderstoel. Hij kijkt oom Gerard met grote ogen aan.
Dag Bono, hoe is het met jou? Oom Gerard kietelt Bono onder zijn kin. Bono reageert niet. Verrast haalt oom Gerard zijn vinger weg. Bono kijkt hem met grote ogen aan. Ongemakkelijk kijkt oom Gerard vader aan.
Hij kijkt je gewoon weg, zegt vader lachend. Oom Gerard kijkt nog eens naar Bono en dan weer naar vader.
Hij kijkt me weg?
Ja, zegt vader, hij is een beetje inkennig.
Wat is inkennig, Papa, vraag Hugo.
Dat hij een beetje verlegen is.
Verlegen voor oom Gerard.
Het lijkt er wel op, niet waar, vader lacht weer.
Oom Gerard lacht ook. Maar niet van harte. Hij legt de papieren van papa op de tafel. Bono kijkt hem de hele tijd aan. Volgt oom Gerard met zijn grote ogen. En doet verder niets. Nou dan ga ik maar weer, zegt oom Gerard en groet Bono. Die kijkt stug terug. Dag Hugo.
Dag oom Gerard, zoentje.
Hier is een zoentje. Dag vader.
Dag Gerard, en bedankt voor het brengen van de papieren.
Oh, goed hoor. Oom Gerard loopt de gang in en Bono hoort de deur open en weer dicht gaan. Oom Gerard is weg. Bono lacht en dat is toch niet lief van Bono.