Hugo en Bono
Gaan we naar buiten?
Goed hoor, doe je jas maar aan en je schoenen dan gaan we naar buiten.
Gaat Bono mee?
Ja, natuurlijk, we kunnen Bono toch niet alleen achter laten.
Ik wil op mijn fiets.
Ook goed hoor, doe nou je schoenen aan en je jas dan kunnen we weg.
Maar ik moet toch ook opruimen.
Je ruimt anders ook nooit op. Kom op want anders hoeft het niet meer. Hier Bono is al bijna klaar. Zo, Bono, schoenen aan, dan mag je in de kinderwagen. Hugo, schiet nou op. Hé, verdikkeme, we gaan niet meer hoor, als je niet op schiet.
Ik ren weg.
Hugo rent in volle vaart weg. En daar staat mama met de jas en de schoenen. Van Hugo.
Dan blijven we maar thuis, zegt mama verdrietig.
Nee, Hugo komt weer aanrennen uit de gang.
Opschieten dan, jas aan en je schoenen. Hup zitten, blijf nou zitten.
Ik mag toch wel staan, wat geeft dat nou.
Als je staat, kan ik je schoenen niet aan doen, kom Hugo, zitten dan kan ik je schoenen aan doen.
Hugo gaat zitten. Mama trekt vlug zijn schoenen aan. Dan zijn jas. Nu moet Mama zich nog aankleden.
Schiet op Mama, anders gaat het regenen. En inderdaad buiten is het ineens heel donker geworden.
Nee, hé, roept moeder uit.
Schiet nou op mama, anders regent het.
Moeder doet haar jas aan en doet de deur open. Prompt begint het te regenen.
We kunnen niet naar buiten, het regent.
Dat komt omdat jij altijd te laat bent, zegt Hugo boos. En dat is niet eerlijk van Hugo.
Dan had je maar niet weg moeten rennen, antwoordt mama.
En daar wordt Hugo ook boos over. Ik ga toch naar buiten.
Ik denk het niet, zegt mama, en doet de deur op slot. Hugo gaat boos zitten. Hij blijft een hele tijd boos zitten. Tot mama de trein laat lopen. Dan gaat Hugo met de trein spelen en is alles weer goed. Buiten regent het. Binnen is het droog.