Hugo en Bono
Onze jongen kan kruipen. Een trotse opa en oma lopen naar binnen.
Hoi, Hugo, wat hoor ik nou? Kan Bono kruipen.
Ik weet het niet, haalt Hugo zijn schouders op.
Nou, we komen helemaal speciaal over om Bono te zien kruipen, niet waar Oma. Opa kijkt Oma verwachtingsvol aan.
Ja, Opa, zucht Oma maar.
Ja, Opa, gilt Hugo er achter aan.
Hou je grote mond eens, beveelt vader. Koffie allemaal. Ja, dat lusten ze allemaal wel. Jij krijg niet, zegt vader tegen Hugo. Wil je ijsthee.
Nee, koffie.
Je krijgt geen koffie.
IJsthee.
IJsthee in de ijsthee beker voor de ijsthee man?
Ja. Hugo grijnst. Het blijft een leuk spelletje.
Hij doet niet veel, hé. Opa kijkt naar Bono die voor hem op de grond ligt.
Rustig Opa, zegt Oma. Hij komt wel als hij zin heeft.
Daar kan ik niet opwachten, zegt Opa. Hij gaat op zijn knieën zitten. Hier Bono, hier Bono.
Het is geen hond, roept Oma boos. Ze slaat Opa zachtjes tegen zijn arm.
Au, zegt Opa.
Ik ook, ik ook, gilt Hugo. Hij rent op Opa af. En wil Opa net slaan.
Niks er van, je mag niet slaan. Jij ook niet Oma, roept vader boos uit de keuken.
Oma rolt met haar ogen. Kijkt nog eens naar de keuken. Naar vader. Ze zegt niets. Hugo lacht. Hij heeft wel gezien dat Oma met haar ogen rolde.
Oma mag ik bij je zitten?
Ja, hoor kom maar. Gaat Bono nog kruipen, denk je?
Nee, zegt Hugo resoluut.
Ik denk het ook niet, zegt Opa. Hij staat op en gaat op de stoel zitten. Oma gaat op de andere stoel zitten. Bono ligt in het midden. Hij kijkt dan eens naar Oma en dan eens naar Opa. Bewegen doet Bono niet.
Hij kan het wel, zegt vader trots.
Natuurlijk jongen, bromt Opa en grijnst naar Hugo.
Nou Opa, hou op met pesten.
Ja, Oma.
Kruipen, wat wordt hij al groot, hé. Oma kijkt vader aan.
Nou, zegt vader, gelukkig maar, het zal mooi zijn als Bono van de zomer kan lopen.
Opa, Oma en vader praten een hele tijd. Bono blijft netjes in het midden liggen. Hugo speelt.
We moeten weg, zegt Oma na een tijdje. Opa staat op.
Nou, Bono, we weten in ieder geval dat je stil kunt liggen. En dat is al heel wat hoor. Dag kleinzoon van me, dag Hugo, zegt Opa.
Dag, dag, dag, gilt Hugo. Bono zegt niets. Hij kijkt alleen maar. Opa en Oma lopen de kamer uit. Ze gaan de gang in. En dan naar de voordeur. Bono kruipt een stukje naar de gang om ze te zien gaan. Ze staan bij de deur. Hij moet nog veel verder kruipen om wat te zien. Bono kruipt nog veel verder. Hij kijkt. Stiekem om het hoekje. Hij ziet dat vader de deur dicht doet. Opa en Oma zijn vertrokken. Vader is alleen. Vlug probeert hij naar vader toe te kruipen.
Hé, ben je daar kleine man. Nu het te laat is. Kom, dan breng ik je naar bed. Vader pakt Bono op. Hij brengt Bono naar bed. Dat vindt Bono niet leuk. Had hij maar moeten kruipen, denkt vader. Hij loopt weg uit de slaapkamer. Sluit de deur. Bono gaat slapen en droomt over kruipen. En dat hij het laat zien. Aan Opa en Oma.