Hugo en Bono
Papa, zullen we verstoppertje spelen.
Zal ik dan tellen?
Nee, ik tel. Jij moet je verstoppen. Ga maar hier staan.
Mag ik niet zelf een verstopplek zoeken.
Nee, papa, ga hier maar staan. Hugo duwt vader achter het gordijn. Vader maakt zich heel klein. Zo klein dat hij achter het gordijn past. Hugo rent weg. Naar de bank. Hij begint te tellen.
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, wie niet weg is, is .... Vol verwachting wacht Hugo op wat papa zal zeggen.
Gezien, zegt papa braaf. Hij lacht een beetje. Dat kan Hugo niet zien want papa staat achter het gordijn.
Waar is papa nou, zegt Hugo tegen mama. Ik zie hem nergens. Hij kijkt om zich heen. Nee, papa is nergens te zien.
Mama, heb jij papa gezien?
Papa heeft zich verstopt.
Waar?
Dat weet ik niet. Je moet papa maar zoeken.
Ik zie hem nergens. Is papa in de keuken? Wacht, ik ga naar de keuken. Nee, papa is niet in de keuken. Is papa dan achter de stoel? Hugo rent naar de stoel en kijkt. Nee, papa zit niet achter de stoel. Zit papa achter de televisie. Nee, hij zit ook niet achter de televisie. Zit papa onder de tafel, mama?
Mama kijkt onder de tafel. Nee, papa zit niet onder de tafel. Waar is papa nou?
Mama, waar is papa?
Waar heb je papa neer gezet?
Nee, mama, dat moet je niet zeggen, ik moet toch zoeken.
Oh, sorry, ik weet niet waar papa is, Hugo, ga maar zoeken.
Maar ik heb overal al gezocht.
Ik denk niet dat je al overal hebt gezocht.
Wat ben ik dan vergeten? Hugo kijkt om zich heen en ziet ineens het gordijn bewegen. Hij lacht. Hij rent naar de gordijnen. Ik heb je. Ik heb je. Hij danst in het rond. Gevonden, gevonden. Nu ben jij hem. Ik ga me hier verstoppen. Hugo verstopt zich achter het gordijn. Kijkt nog even naar Papa. Voor hij helemaal verdwijnt. Papa, jij moet tellen.
Papa loopt naar de bank en begint te tellen.
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, wie niet weg is, is ....
Gezien, gilt Hugo.
Papa lacht. Waar is Hugo nou, ik hoor hem wel maar ik zie hem niet. Zit je onder de tafel, Hugo?
Néé!
Je zit toch niet in de trapkast, hé. Kom uit de trapkast, Hugo. Je weet dat je niet in de trapkast mag zitten.
Ik zit niet in de trapkast, papa.
Waar zit Hugo dan? Mama weet jij waar Hugo is?
Nee, vader, ik heb Hugo ook niet gezien.
Hij is toch niet weggelopen? Oh, oh, mijn kindje is weg, mijn zoon is verdwenen.
Papa ik ben hier. Hugo springt achter de gordijnen vandaan. Vader lacht. Moeder ook.
Gelukkig, mijn zoon is weer terecht. Knuffel.
Nee, papa. Zullen we weer verstoppertje spelen, vader?
Dat is goed, Hugo, zal ik tellen?