Hugo en Bono

Papa, ga je mee?
Waar naar toe?
Naar de bananenboom.
Hebben wij een bananenboom in huis?
Ja, hij staat in de gang.
Oh, nou dat wil ik dan wel zien. Kom, dan gaan wij naar de bananenboom. Vader stapt op van de bank. Hij geeft Hugo een vinger en hand in hand lopen ze weg.
Van de huiskamer naar de gang. Bono kijkt toe. Hij vindt het raar dat  papa en Hugo naar de gang lopen. Wat moeten ze daar nou? Gra, gra, zegt Bono tegen vader. Vader luistert niet. En dan begint Bono een beetje te huilen.
Nu niet Bono, zegt vader. Ik ga naar de gang met Hugo. Bono luister ook niet en gaat gewoon door met grienen. Vader trekt zich er niets van aan en loopt verder met Hugo. Maar dan ineens stopt Hugo.
O, nee, roept Hugo uit en wijst.
Wat is er, vraagt vader.
De bananenboom is gevlogen.
O, nee, zegt vader, waar naar toe.
Naar boven. Kijk daar, in de lucht.
Vader kijkt. Bono trekt ondertussen aan zijn broekspijp. Vader pakt Bono op en kijkt hem aan. De bananenboom is gevlogen, Bono, zegt vader, wat nu Hugo?
We moeten springen, gilt Hugo, dan kunnen we de bananenboom grijpen. Hugo springt. Vader springt. Bono springt met vader mee. Maar ze kunnen de bananenboom niet te pakken krijgen.
Verdrietig gaat Hugo zitten. Vader gaat naast hem zitten.
Jammer hoor, zegt vader, het was een mooie boom.
Hugo knikt. Kijkt zijn vader aan. Ik moet een beetje huilen, papa.
Misschien moeten we een andere boom planten, oppert vader.
Hugo kijkt hem verbaasd aan. Kan dat dan, vader.
Ja, hoor, dan moet je eerst ploegen en dan zaadjes planten.
Maar we hebben geen zaadjes, jammert Hugo.
We hebben toch een meloen. Een meloen heeft zaadjes. Planten we een meloenboom. In de tuin. En als de meloenboom groot is geworden dan zetten we de meloenboom in de gang.
Goed, zegt Hugo, nu?
Goed, zegt vader, ga je mee Bono. Bono gaat mee. Vader pakt de meloen. Snijdt de meloen door midden en verzamelt de zaadjes.
Hier Hugo, goed vasthouden dan planten we de meloenzaadjes in de tuin.
Hugo pakt de zaadjes aan. Ze kleven. Hij vindt het vies. Toch houdt hij de zaadjes vast. En dan gaan de drie mannen de zaadjes planten.
Wachten we tot de meloenboom komt, vader, vraagt Hugo.
Nee, Hugo, dat duurt te lang. Maar we gaan wel iedere dag kijken. En dat vindt Hugo goed. En vaak staan de mannen in de tuin. Maar een meloenboom komt er niet. En dat is toch jammer.