Hugo en Bono

Papa, ik ga met mama trouwen.
Dat gaat niet, mama is al met papa getrouwd.
Waar ben jij getrouwd, papa.
Wij zijn in het stadhuis getrouwd. Een meneer vroeg daar of mama met papa wilde trouwen en mama zei ja, Toen vroeg de meneer aan papa of hij met mama wilde trouwen en papa zei ook ja.
Moest mama toen een beetje huilen.
Een beetje. Van blijdschap.
Ik ga later ook trouwen. En da huil ik ook van blijdschap.
Goed, zo. Papa huilde van blijdschap toen jij geboren werd. En papa huilde ook van blijdschap toen Bono werd geboren. Papa was zo blij dat jullie er waren dat hij daarom een beetje moest huilen.
Hugo schurkt dicht tegen papa aan. Zullen wij trouwen, papa.
Nee, zegt papa. Ik ben al getrouwd met mama. Kijk maar. Papa laat zijn trouwring zien. Die is van goud. De trouwring lijkt op de maan. Zelf ontworpen, zegt papa trots, vind je hem mooi Hugo.
Ja. Hugo vindt de trouwring mooi. Dan horen ze Bono huilen. Hij wordt wakker.
Je broer is wakker, zegt papa. Hij staat op om Bono te halen en te verschonen.
Bono is niet blij hé, papa.
Nee, lacht papa, ik geloof niet dat Bono nu huilt van blijdschap. Misschien als hij papa ziet. Dat hij dan gaat lachen. Of als hij wordt verschoond. Misschien dan.
Ja, zegt Hugo en lacht ook. Ik moet een beetje lachen papa.
Oh, waarom?
Omdat jij Bono gaat halen. Dat vindt Bono wel leuk. En daarom moet ik lachen.
Nou, dat mag hoor. Maar laat ik maar snel Bono halen anders wordt Bono kwaad.
Vader rent weg om Bono te halen. Hugo blijft alleen achter op de bank. Hij denkt na. Wat zal hij nu eens gaan doen. Dan weet hij het al. Hij springt van de bank. Rent naar zijn lego en gaat bouwen. Trouwen is leuk. Van blijdschap huilen grappig. Maar nu moet hij bouwen. Een dierentuin. Vader komt naar beneden met Bono. En ja hoor, Bono lacht. Van blijdschap.