We gaan zo naar de dokter, Hugo, Bono, dan weten jullie
dat.
Hu.
We gaan zo naar de dokter.
Hugo komt aanrennen. Hij vindt het vreemd nieuws. Waarom
moeten we naar de dokter.
Jullie krijgen een prik.
Waarom.
Omdat je anders een enge ziekte kunt krijgen. En als je
de prik hebt gehad, kan dat niet.
Oh.
Ja, mama heeft de prik ook gehad. Kijk maar.
Mama stroopt haar mouwen op. Ze laat de prik zien. Aan
Bono en Hugo. Bono is niet geïnteresseerd. Hugo kijkt
heel even.
Gaan we nu spelen.
Nee, we gaan aankleden. We gaan naar de dokter. Kom op.
Schoenen aan. Jas aan. Dan kunnen we gaan.
Mama pakt Bono beet en kleed Bono aan.
Hugo trekt je
schoenen aan.
Ik moet eerst de vogels eten geven.
Nee, we gaan nu naar de dokter. Je krijgt een prik.
Ik wil geen prik.
Niks mee te maken, opschieten nu. Hugo schiet echter
niet op. Het duurt best lang voor ze klaar zijn. Dan
gaan ze op de fiets naar de dokter. Papa wacht daar op
hen. Het duurt best lang voor ze aan de beurt. Dan mogen
ze bij de dokter naar binnen.
Zo, bromt de dokter, jullie krijgen een prik. En als je
een prik krijgt, krijg je ook een pleister.
Hugo kijkt
benauwd op. Een pleister?
Ja, een pleister, zegt de
dokter. Ik heb Jip en Janneke pleisters. En Takkie.
Welke wil jij, grote knul?
Ik ben geen grote knul, ik ben Hugo.
Nou, Hugo, welke pleister wil jij.
Takkie.
Plakken wij Takkie op. En dan zeggen we tegen Takkie dat
hij alle pijn weg moet nemen.
Pijn. Nu vindt Hugo er ineens niets meer aan. Hij wil
bij mama zitten.
Doe zijn broek maar uit, zegt de dokter, dan krijgt hij
de prik in zijn bovenbeen. Dan heeft hij er het minste
last van.
Moeder doet de broek van Hugo uit. De dokter pakt de
spuit en geeft Hugo een prik. Hugo kijkt er naar. Hugo
ziet hoe de dokter de prik helemaal leegspuit. Hugo
begint te huilen. Bono kijkt toe. Papa pakt Bono op.
Papa trekt de broek uit van Bono.
Hugo krijgt een mooie
pleister. Met Takkie erop. Dan is Bono aan de beurt.
Bono krijgt ook een prik. Bono moet ook huilen. Dan
krijgt Bono ook een pleister. Met Jip er op. Papa kleedt
Bono weer aan. Mama heeft Hugo al aangekleed. Dan krijgt
de dokter een hand en gaan ze naar huis.
Hugo is boos.
Ben je boos Hugo, vraagt mama.
Ja.
Waarom ben je boos?
De dokter heeft mij echt pijn gedaan.
Ik weet het jongen. Het moest echter. Dan kan je
namelijk die enge ziekte niet krijgen.
Maar het deed pijn.
Het deed pijn, en jij was een hele grote jongen. Mama is
trots op je. Mama tilt Hugo op in het kinderzitje. Dan
gaat ze fietsen. Hugo kijkt stuurs voor zich uit.
Hugo blijft een hele tijd boos. Bono niet. Bono brabbelt
alweer honderd uit. En als ze thuis zijn, mag Hugo op de
computer spelen. Dat vindt Hugo fijn. Hij speelt heel
lang en vergeet de prik.
