Ik wil niet naar school, schreeuwt Hugo.
Je hoeft nu
nog niet naar school, pas als je vier ben, zegt mama.
Waarom ga we dan naar school, vraagt Hugo.
Om je in te schrijven, zegt moeder.
Inschrijven.
Ja, als je ben ingeschreven mag je op die school komen
als je vier bent.
Ik wil niet naar school.
En toch gaan we je inschrijven, zegt vader resoluut. Hij
loopt naar binnen. Hugo loopt achter vader aan. Moeder
heeft Bono. Aan het handje. Bono mag ook de school
inlopen.
Daar is het, wijst vader. Er is een kantoortje waar
vader wijst. Daar zit een meneer.
Wij komen mij inschrijven, schreeuwt Hugo. Vader lacht.
Goedemorgen, meneer, zegt vader zoals het hoort, wij
hebben een afspraak. En dat is waar. Ze hebben een
afspraak. Met de directeur. De directeur is de baas van
de school. De directeur is heel aardig. Hij laat vader
en moeder, Hugo en Bono de hele school zien.
Vind je het hier leuk, vraagt de directeur aan Hugo.
Nee, zegt Hugo.
Dat komt wel, zegt de directeur. Hugo denkt van niet.
Hij vindt scholen niets aan.
Wil je dan niet leren lezen en schrijven, vraagt moeder.
Nee, zegt Hugo.
Nee, schreeuwt Bono.
Oh, die kan ook praten, zegt de directeur. Vader kijkt
trots naar Bono. Ja, Bono kan ook praten.
Eten, schreeuwt Bono. Bono lacht. Bono wijst. Appel,
zegt Bono. Hugo lacht.
Nee, dat is een deur. Hij zegt alleen maar appel, zegt
Hugo tegen de directeur.
Kan hij geen andere woordjes, vraagt de directeur.
Nee.
Dan moet hij maar naar school, dan leren wij Bono wel
woordjes.
Nee, dat doe ik, verklaart Hugo en loopt weg. Hij wil
spelen. Moeder pakt Bono op en neemt de kinderen naar
buiten. Om te spelen. Is dat niet lief? Vader blijft
binnen en schrijft Hugo in. Op school. Dan kan Hugo naar
school als hij vier jaar is. Gelukkig is dat nog heel
ver weg. Meer dan een jaar. Veel te ver om over na te
denken dus speelt Hugo buiten. Met moeder. En met Bono.
En dat is toch veel leuker.


