Ga maar op de vijf staan, zegt Mama. Hugo kijkt naar de
grond.
Er liggen allemaal cijfers op de grond. Netjes
aan elkaar.
Dat hebben Hugo en Mama samen gedaan. Ze
hebben een hele lange straat gemaakt van de cijfers. Een
cijfer straat.
En alle cijfers door elkaar. Eerst de
zeven, dan de één, vervolgens de vier, daarachter de
zes, gevolgd door de twee en daarachter de negen en de
acht en dan de drie, de vijf en de nul achter elkaar.
En
nu moet Hugo op de vijf gaan staan. Hugo kijkt heel goed
naar de grond. Hugo denkt na. Ja, hij weet het. Hugo
rent van de zeven, over de één, naar de vier en de zes,
springt over de twee en de negen naar de acht, remt op
de drie en staat stil op de vijf.
Vader en moeder juichen. Hugo heeft het goed. Hugo is
knap. Hugo is een kanjer, vinden vader en moeder. Hugo
staat de op de goede cijfer.
Bono ziet zijn ouder juichen. Bono wil dat zijn ouders
ook om hem juichen. Bono gaat op de één staan. Vader en
moeder zien het niet. Vader en moeder hebben het
te druk. Met Hugo.
Ga maar op de vier staan, schreeuwt vader. Hugo kijkt
weer naar de grond en rent dan terug. Naar de vier. De
vier ligt dicht bij de één. Op de één staat Bono.
Ze
botsen. Bono valt.
Hugo juicht. Want Hugo staat de op de
goede cijfer. Moeder juicht ook. En vader ook. En dan
pakt vader Bono op. Hij troost hem.
Je moet ook niet op de cijferstraat staan, Bono, zegt
vader.
Maar Bono wil ook worden toegejuicht. Bono wil
ook mee spelen. Waarom snapt papa dat niet. Bono wringt
zich los uit de armen van papa en gaat op de
cijferstraat staan.
Niet doen, gilt Hugo. Hugo wil
niet dat Bono op de cijferstraat staat.
Bono kijkt Hugo
aan. Bono wil niet weg. Bono blijft staan.
Ga weg, gilt Hugo naar Bono.
Dat vinden papa en mama
niet leuk.
Hugo moet niet schreeuwen. En Bono mag ook
meespelen.
Laat hem maar even Hugo, sust mama,
Bono gaat maar naar
de vijf. Bono loopt de cijferstraat af. Bono stopt bij
de drie. Bono begint te klappen en kijkt naar vader.
Vader ziet het. Vader begint te juichen. Moeder begint
ook te juichen.
Dat is de vijf niet, zegt Hugo. Hugo juicht niet.
Bono is nog klein. Die kan het nog niet, zegt vader.
Hugo haalt zijn schouders op. Als Bono het niet kan,
hoef ik ook niet te klappen, denkt Hugo en kijkt mama
weer aan.
Ga maar op de zes staan, zegt mama. Dat is ver van Bono
vandaan.
Hugo kijkt weer naar de grond. Hij ziet de zes en
springt er op. De zes ligt dicht bij de vier. Vader en
moeder begint de juichen. Bono ook. Hugo lacht en is
zeer tevreden. Het is een leuk spelletje.
Volgende week de lettersteeg, grijnst vader. En wie
weet, denkt moeder, wie weet.
