Hugo en Bono
Het is papa dag. Vandaag zorgt Papa voor Hugo en Bono. Moeder werkt vandaag.
Bono legt allang op de bed. Voor zijn middagdutje. Papa en Hugo gaan spelen. Hugo bouwt een straat en woont bij de TV. Papa woont op de bank en drinkt een kopje koffie.
Papa, je moet bij mij op bezoek komen, zegt Hugo.
Papa zet zijn kopje koffie neer en staat op. Hij loopt over de straat. Naar het huis van Hugo. De straat is gemaakt van letters en cijfers en is heel smal. Papa valt bijna.
Ik woon bij het water, Papa, gilt Hugo.
Dan moet ik niet vallen want dan val ik in het water, zegt vader.
Ja, zegt Hugo.
Dan is vader er.  Vader belt aan. Hij drukt stevig met zijn vinger op de televisie. Hugo doet open. Vader geeft Hugo een hand.
Hoe gaat het met je zoon, vraag vader.
Goed, zegt Hugo.
Mooi, zegt vader.
Papa, jij moet even op mijn kinderen passen want ik moet werken.
Wat, heb jij al kinderen.
Ja, zegt Hugo.
Oh, zegt vader, dan ben ik opa.
Ja, zegt Hugo, ik ga werken.
Maar hoeveel kinderen heb je dan, vraagt vader.
Hu, twee kinderen en een baby.
Oh, en hoe heten ze.
Dat weet ik niet, zegt Hugo.
Weet je niet hoe je kinderen heten, vraagt vader verbaasd.
Nee, schudt Hugo zijn hoofd, maar de baby heet Annie.
Oh, het is een meisje, wat leuk, zegt vader, en de kinderen? Zijn dat jongens of meisjes.
Jongens, papa, ze heten Kees en Piet. En jij moet oppassen want ik moet werken.
Nou, ik pas graag op mijn kleinkinderen hoor.
Dag kees, dag piet, dag Annie, Opa past op jullie. Vader gaat werken. Tot ziens.
Hugo loopt weg. Opa blijft achter met zijn drie nieuwe kleinkinderen.
Kom, zegt Opa, dan gaan we naar mijn huis. Opa stopt de kinderen in zijn broekzak en gaat naar zijn eigen huis. Op de bank. En gaat daar de krant lezen. En hij voelt zich vreemd blij. Met zijn kleinkinderen op de bank terwijl Hugo werkt. In de gang. En dan gaat de babyfoon te keer en is Bono wakker en kan papa weer zorgen en dat is ook leuk.