Papa, wil jij kapitein zijn, vraag Hugo aan vader.
Vader
kijkt op van zijn krant. Hij kijkt naar Hugo. Bono ligt
op bed. Mama is aan het werken. Dus papa moet kapitein
zijn, vindt Hugo.
Papa, wil jij kapitein Fifi zijn.
Kapitein Fifi is heel
aardig en heel lief. Kapitein Fifi is geen piraat weet
vader. Hij kijkt Hugo nog eens aan en zegt dan, ja, ik
wil kapitein Fifi wel zijn.
Hugo lacht, Het kleed is het schip. Hugo rent naar de
bijzettafel. Help me, kapitein Fifi, we moeten de mast
nog maken. Vader helpt Hugo om het bijzettafeltje op het
kleed te schuiven. Als het bijzettafeltje op het kleed
staat, gaat Hugo erop zitten.
Varen maar, kapitein Fifi, ik kijk wel waar we heen
moeten.
Maar waar moeten we dan heen, vraag kapitein Fifi aan
Hugo.
Naar de warme landen. Kom kapitein Fifi roeien.
Kapitein FIfi en Hugo roeien naar de warme landen.
Dan hebben we geen jas nodig, hé, kapitein Fifi.
Nee, in de warme landen heb je geen jas nodig. Daar kun
je zonder jas naar buiten.
Dan gaan wij naar de warme landen, hé, kapitein Fifi.
Ja, daarom gaan wij naar de warme landen. Zijn we er al,
maatje.
Ik kijk even hoor. Maatje kijkt om. Daar zijn de warme
landen.
Waar, vraagt kapitein Fifi.
Daar. Maatje wijst naar de keuken.
Dan zijn ze er bijna. Nog even doorroeren en dan zijn ze
er. Het is hard werken. Hugo puft en wil bijna stoppen
maar kapitein Fifi moedigt hem stevig aan. En dan zijn
ze
er.
We zijn er papa.
Mooi, maatje, ga je mee naar het strand.
Nee, kapitein Fifi, we moeten toch eerst het schip
parkeren. Maatje kijkt kapitein Fifi aan. Met een blik
van domme kapitein. En dat is natuurlijk zo. Je moet een
schip toch eerst parkeren voor je uitstapt.
Dat heet aanmeren, zegt vader.
Oh, zegt Hugo, kapitein we gaan aanmeren.
Is goed maatje, daar gaan we.
Hugo en kapitein Fifi stappen uit. Ze zijn in de warme
landen.
Wat gaan we nu doen, maatje, vraag kapitein FIfi.
Vissen, zegt maatje. Dus gaan ze vissen. Tot Bono wakker
wordt. Dan haalt vader Bono uit bed en gaat Hugo wat
anders doen.
