Hugo, Bono, Mama en Papa zijn in de kamer. Ze zingen een liedje. Van Cowboy Billy Boem. Eerst rijdt cowboy Billy Boem op een paard door de
prairie. Maar het paard werd veel te moe. Dus ging het
paard niet langer mee. Dan mag Hugo een ander dier
kiezen. Hugo kiest een kangoeroe. Al gauw is ook de
kangoeroe moe. Dan mag Bono een beest kiezen.
Lama, zegt Bono.
Lama, lacht Hugo, wie rijdt er nou op een lama rond,
Bono dat kan toch niet, een lama.
Maar Bono wil toch een lama. Dus zingen ze van cowboy
Billy Boem op een lama. De lama is ook weer snel moe.
Vader is aan de beurt. Vader zegt een vis en begint heel
hard te zingen en wie rijdt daar op zijn paard op de
prairie. Hugo zingt niet mee. Hij kijkt vader aan. Vader
ziet het. Wat is er, vraagt vader.
Op een vis kan je toch niet tijden, zegt Hugo.
Nee, vraagt vader.
Nee, zegt Hugo.
Vader wil al een ander dier noemen. Hugo is hem echter
voor. Hugo begint te zingen.
En wie zwemt daar met zijn vis door de prairie, dat is
cowboy Billy Boem door de boeven zeer gevreesd.
Vader zingt mee. Als de vis ook moe wordt mag Hugo een
dier verzinnen.
Een kikker, schreeuwt Hugo. Vader begint gelijk te
zingen: en wie rijdt daar met zijn kikker door....
Nee, schreeuwt Hugo weer, een kikker kan niet rijden.
Een kikker kan alleen maar springen.
Springen, aapt Bono na.
Springen, zegt vader, en wie springt op zijn kikker door
de prairie. Dat is cowboy Billy Boem door de boeven zeer
gevreesd. En als de kikker moe en niet langer meegaat
mag moeder een dier verzinnen. Moeder was nog niet
geweest. En zo zingen ze nog een tijdje door. Dan wil
Bono lezen. En Hugo gaat met de ridders spelen. En dan
is het weer even rustig in huis.


