Hugo gaat naar de peuterspeelzaal. Vandaag voor het
eerst. Vader brengt hem weg. Op de fiets. Hugo achterop
en Bono voorop. Bono heeft niets. Hugo heeft een rugzak.
In de rugzak zit een beker. En een kapitein Koek koekje.
En schoongoed. Voor als Hugo een ongelukje krijgt.
Zijn we er al, vraag Hugo aan vader.
Bijna, zegt vader. En dan zien ze de peuterspeelzaal.
Het Harlekijntje. Ze zijn er al eerder geweest. Met de
open dag. Toen vond Hugo het heel leuk. Maar of Hugo het
nog steeds leuk vindt, weet vader niet.
Ze zetten de fiets in de stalling en lopen naar de deur.
Die is dicht. Ze moeten nog even wachten. De deur gaat
pas om 08u45 open. Kijk, daar komt de mevrouw al aan. De
mevrouw haalt de deur van het slot en alle vaders,
moeders, opa's en oma's lopen door. Kinderen aan de
hand. Vader loopt met Hugo en Bono naar klas 3. Daar
wacht juffrouw Helma al.
Je mag de rugzak daar op hangen, wijst juffrouw Helma,
en zet de beker en hapje maar op de plank boven de
kapstok. Dat doet vader. En dan gaan vader en Hugo de
klas binnen. Bono loopt er achter aan en gaat met de
speelgoed spelen. Hugo en vader gaan naar juffrouw
Helma.
Dag Hugo, zegt juffrouw Helma. Hugo zegt niets. Vader
gaat door zijn knieën en kijkt zijn zoon aan.
Wat denk je, kun je hier leuk spelen, vraagt vader. Hugo
knikt ja.
Zullen we dan naar de hijskraan gaan, wijst vader. Hugo
knikt ja. Vader en Hugo lopen naar de hijskraan. Hugo
gaat spelen en vergeet dat vader er is. Vader loopt
langzaam weg. Pakt Bono op en kijkt nog één keer naar
zijn zoon. Hugo is diep in het spel verdwenen en ziet
niet dat vader weg gaat.
Zo, nu kunnen wij boodschappen gaan doen, zegt vader
tegen Bono. Vader zet Bono op zijn fiets en rijdt weg.
Vader is een beetje zenuwachtig. Vader is bang dat Hugo
het niet naar zijn zin heeft op de peuterspeelzaal.
Vader denkt daar heel hard over na. Als vader en Bono
thuis komen, zet vader de fiets in het schuurtje en doet
de achterdeur open. Maar vader laat de sleutels in de
deur zitten. Vlug grijpt vader de boodschappenmand en
Bono en rent de voordeur uit. Naar de auto. Vader trekt
de voordeur dicht. Vader schrikt. Ik ben de sleutels
vergeten. Vader denkt na. Natuurlijk, de sleutels zitten
nog in de achterdeur. Vader zet Bono in de auto en denkt
dan weer na. Bono kijkt vader aan. Ik zit achter het
stuur, denkt Bono en drukt op de toeter. Vader schrikt
weer. Domme papa. Bono zit verkeerd. Vader pakt Bono op.
Hij zet Bono in het kinderstoeltje. Dan rijdt vader
met de auto achterom. Vlug stapt vader uit en rent naar de achterdeur. Gelukkig, de
sleutels zitten er nog in. Opgelucht rent vader terug
naar de auto. Bono lacht. Hij vindt dat vader maar raar
doet. Vader lacht terug. Samen gaan ze naar de
supermarkt. Daar vragen ze waar Hugo is.
Op de peuterspeelzaal, zegt vader.
Ja, hij krijgt de leeftijd, zegt de mevrouw, maar we
zullen hem wel missen. Hij kwam altijd even met ons
praten. De mevrouw lacht, hij was de blauwe ridder.
Vader lacht terug. Als een boer met kiespijn.
Oh, zegt de mevrouw, vader vindt het niet zo leuk dat
Hugo op de peuterspeelzaal is.
Nee, vader vindt het niet leuk. Maar vader begrijpt het
wel. Op de peuterspeelzaal kan Hugo met anderen kinderen
spelen. En dat is heel leuk. Voor Hugo. Vader en de
mevrouw praten nog wat. Dan gaat vader verder. Bono
vindt het leuk. Nu mag Bono alles doen. De lege flessen
in de statiegeldautomaat stoppen. En het glas in de
glasbak. En met vader meelopen. En op de knopjes van de
lift drukken. En geld uit het wagentje halen. Wel €0,50.
Van mijn, zegt Bono en houdt het geld stevig vast. Net
zo lang tot ze thuis zijn. Daar drinkt vader een kopje
koffie. En kijkt op de klok. Tot het 11u45 want dan mag
vader Hugo weer halen. Veel te vroeg gaat vader weer op
de fiets. Met Bono. Om Hugo te halen. Ze rijden wel drie
rondjes rond de school. Ze kunnen niet naar binnen want
het hek is dicht. Eindelijk is het tijd. Vader haalt
Bono van de fiets en ze lopen naar het hek. Vader dringt
voor. Vader wil als eerste naar binnen. Zodat Hugo ziet
dat vader er is. Want Hugo moet niet denken dat vader
niet komt. Dat wil vader niet. Hij heeft beloofd dat hij
Hugo zou ophalen en beloofd is beloofd. Dat zegt vader
zelf. En wat je beloofd moet je doen.
Dan gaat de deur van de lokaal open. Vader ziet Hugo
zitten. Hugo lacht. Hugo zwaait. Hugo rent naar vader.
Vader knielt en geeft Hugo een kus. Vader vraagt hoe
Hugo het heeft gehad.
Leuk, zegt Hugo.
Het is goed gegaan hoor, zegt juffrouw Helma, het leek
wel of hij al weken kwam.
En heb je ook op tijd geplast, vraagt vader.
Ik heb nog niet geplast, zegt Hugo.
Moet je plassen, vraagt vader.
Ja, zegt Hugo.
De WC is hier om de hoek, wijst juffrouw Helma.
Kunt u even op Bono letten.
Ja, dat wil de juffrouw wel. Vader loopt naar de WC met
Hugo. Hugo plast en dan halen ze Bono op. Om naar huis
te gaan. En omdat Hugo zo goed zijn best heeft gedaan,
krijgt Hugo Kaizerbroodjes en hij eet er één helemaal
op. En als mama thuis komt, heeft ze patat bij zich. En
dan vraagt Hugo of hij morgen weer naar de
peuterspeelzaal mag. Maar dat kan niet. Vader heeft maar
voor één ochtend betaald. En dat vindt Hugo jammer. Want
hij vond het echt leuk en daar is vader wel blij mee.
Hoeft vader niet meer zenuwachtig te zijn. En geen domme
dingen meer te doen. Sukkeltje, zegt moeder als vader
het verteld, je moet je niet zo zenuwachtig te maken. Je
zoon is een kanjer. En dat weet vader ook wel.
Het was een dikke dag, zegt vader daarom tegen moeder,
en Bono vond het ook leuk. En dat is waar. Bono droomt
nu van nog meer tochtjes. Met vader en moeder alleen.
