Klein rood autootje waar breng je ons naar toe, zingt
vader met Bono.
Naar Opa en naar Oma, gilt Hugo er tussendoor.
Opa, schreeuwt ook Bono en dan, Oma.
En naar de koetjes boe, gaat vader verder.
Klap, klap, klapt, begint Bono alvast.
Goed zo, gilt vader, en de handjes gaan van klap, klap,
klap.
Stampen, bemoeit Hugo zich er mee.
Vader knikt. Bono ook. En dan gaan ze stampen want de
voetjes gaan van stap, stap, stap.
Klein rood autootje waar breng je ons naar toe, zingt
vader verder.
Opa, Oma, gilt Bono weer.
Oh, zegt moeder, en wat gaan we dan bij opa en oma doen.
Bono kijkt moeder aan. Pannenkoeken eten.
Panenkoeken eten, zegt moeder verbaasd dat Bono zo een
lang woord al kan zeggen.
Ja, zegt Bono, opa pannenkoek.
Moeder lacht, grijpt Bono beet en knuffelt haar zoon.
Hugo ziet dat Bono succes heeft. En Hugo wil ook worden
geknuffeld. Daarom gilt Hugo: Opa pannenkoek, opa
pannenkoek. Rare naam, hé vader.
Zegt dat wel Hugo, zegt vader. Vader geeft Hugo ook een
knuffel. Gaan we verder zingen, vraagt vader.
Ja, zegt Hugo.
Klein rood autootje waar breng je ons naar toe.
Naar Opa pannenkoek, opa pannenkoek, opa pannenkoek,
zingt eerst Hugo. Dan Bono. En daarna zingt iedereen Opa
pannenkoek, opa pannenkoek, opa pannenkoek.
En dat begint iedereen te lachen en kunnen ze niet meer
zingen. Dus gaan ze maar met de trein spelen en dat is
ook heel leuk.
