Hugo en Bono

Vader en moeder gaan naar de tandarts. Hugo en Bono moeten mee.
Waarom, vraagt Hugo zich af.
Dan kan de tandarts naar je tanden kijken.
De tandarts mag niet naar mijn tanden kijken, gilt Hugo.
Nee, gilt Bono er achter aan.
De tandarts kijkt even in je mond om te zien of je geen gaatjes hebt, zegt vader resoluut.
Nee, zegt Hugo even resoluut.
Jas aan dan kunnen we weg, zegt vader maar niets meer.
Moeder komt al met de jassen. Kom Bono. Kom Hugo, dan gaan we. Even naar de tandarts. De tandarts kijkt in je mond en misschien mag je wel op de tandartsstoel. Dan pakt de tandarts een grote lamp en schijnt daarmee, zo in je mond. Dat is pas leuk.
Ik ga niet op de tandartsstoel.
Oh, en hoe ziet de tandarts dan of je geen gaatjes hebt, vraag mama zich af.
Ik heb geen gaatjes, brult Hugo triomfantelijk.
Ook niet, juicht Bono er achter aan.
Wegwezen jullie, brult vader, ik word de betonpapa, wie over tien seconden nog niet op de fiets zit, is de klos. Hugo en Bono rennen door de achterdeur naar de schuur. Want als de betonpapa ze pakt, dan kietelt de betonpapa. Dus zitten ze binnen tien seconden op de fiets op weg naar de tandarts.
Hallo, zegt de tandarts, wie zijn jullie. De tandarts lacht en kijkt de kinderen aan.
Hugo kijkt verlegen naar de grond. Bono kijkt met grote ogen naar de tandarts.
Wie is dat, vraagt de tandarts aan Bono en wijst naar Hugo.
Mijn broer, zegt Bono zachtjes.
En hoe heet jouw broer.
Hugo.
Goed zo, zegt de tandarts, jij bent een knapperd. En ben jij ook zo knap, vraagt de tandarts aan Hugo.
Ja, dat is mijn broer, Hugo wijst naar Bono.
Goed zo, nou kom maar mee dan gaan we tanden kijken.
Moet jij eerst Hugo, vraagt moeder.
Nee, als laatste.
Dan gaat vader eerst.
Vader gaat op de stoel zitten. De tandarts laat de stoel omlaag gaan. Net zo lang tot vader bijna ligt. Dan doet de tandarts een grote lamp aan en kijkt dan in de mond van vader. Even schoonmaken hoor, bromt de tandarts. En dan hoort Hugo een raar geluid en de tandarts zit met een boortje in papa's mond. Moeder tilt Hugo op. Dan kan hij beter kijken.
Zo, bijna klaar hoor meneer. De tandarts maakt nog een paar tanden schoon en dan gaat de stoel weer omhoog.
Nu mama. Ja, nu is mama aan de beurt. Mama gaat ook op de stoel zitten en de stoel gaat weer omlaag. Vader kijkt waar Bono is. Die speelt met de speelgoed in de wachtkamer. Vader gaat naar Bono toe. Hugo rent achter vader aan.
Zullen we spelen dat ik tandarts was en jij komt op bezoek, vraag Hugo.
Goed, zegt vader.
Dan moet je wel naar beneden gaan, zegt Hugo.
Goed, zegt vader.
Hugo drukt op een knopje en begint te brommen. Vader zakt naar beneden.
Zo, en nu de lamp aan, zegt Hugo. En dan pakt hij een speelgoedslang. Kijk papa, dat is de schoonmaakding. Hugo gaat er mee naar vader's mond.
Als je maar voorzichtig bent, zegt vader angstig.
Ja, hoor, het doet geen pijn, doe je mond maar open.
Vader doet zijn mond open en weer maakt de tandarts alles schoon.
Goed hoor, zegt de tandarts, jij hebt mooie tanden zeg.
En mag de tandarts ook in jouw mond kijken, Hugo, onderbreekt vader het spelletje.
Ja, zegt Hugo. Hij doet zijn mond.
De tandarts is toch niet hier.
Oh. Hugo kijkt om en rent met open mond de kamer in waar de tandarts bezig is.
Kijk maar, schreeuwt Hugo.
De tandarts lacht. Straks, zegt de tandarts, eerst je moeder.
Teleurgesteld kijkt Hugo naar zijn vader.
Om de beurt, zegt vader, maar kijk mama is al klaar, moet jij nu op de stoel?
Maar dat vindt Hugo nog te eng. Alleen op de stoel.
Moet je bij mij zitten, vraagt mama.
Dat vindt Hugo goed. En dan gaat de stoel weer omlaag en doet de tandarts de grote lamp weer aan. Hij kijkt in de mond van Hugo en lacht. Zo, jij hebt mooie tanden. En wat poets jij goed. Nee, jouw tanden hoef ik niet schoon te maken. Jij poets zo goed. Goed hoor, ga zo door. En dan doet de tandarts de lamp weer uit en gaat de stoel weer omhoog.
Zullen we een nieuwe afspraak maken, vraagt de tandarts.
Dat is goed. Ze maken een nieuwe afspraak. En dan kunnen ze weer naar huis.
Ik heb mooie tanden, lacht Hugo.
Gelukkig, zegt vader.
Mijn tanden hoeven niet schoongemaakt te worden.
Nee, jouw tanden niet, zegt mama blij.
Waarom moeten jullie tanden wel schoongemaakt worden.
Als je ouder wordt, moet dat wel eens.
Misschien poetsen jullie niet goed.
Misschien.
Ik poets wel goed.
Je bent geweldig Hugo, beaamt moeder en dan gaan ze fietsen. Naar huis. En als ze thuis zijn, gaan ze spelen. Maar geen tandarts. Want dat wil vader niet. Flauw hé.